Spinoza's biografie

'In een vrij staatsbestel is het een ieder toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.'

Spinoza

 

Baruch de Spinoza wordt in 1632, tijdens de 'Gouden Eeuw', geboren als kind van joods-Portugese ouders op Vlooienburg in de Amsterdamse jodenbuurt. Zijn vader die een internationaal handelsbedrijf had, sterft in 1654 en Spinoza neemt samen met zijn broer het bedrijf over. In 1656 wordt Spinoza verbannen uit de joodse gemeenschap, mogelijk omdat hij bij een procedure over de nalatenschap van zijn ouders en het faillissement van het bedrijf, de joodse wetgeving had geschonden, mogelijk ook omdat hij de strenge joodse gedragsregels had geschonden en de Thora had onteerd. Handelaar Jarich Jelles ontmoette Spinoza in de beurs tussen 1654-1655 en schrijft later dat die zich toen al in de filosofie en met name in Descartes verdiept had. De gevolgen van de ban waren dramatisch, het betekende dat zelfs zijn familie geen contact meer met hem mocht hebben en dat hij gedwongen was zijn commerciële activiteiten op te geven.

In de beurs had Spinoza Amsterdamse 'vrijdenkers' van allerlei pluimage ontmoet. Zij brachten hem in contact met de verhitte religieuze en intellectuele discussies die in die tijd, mede onder invloed van Descartes, in Nederland woedden.
De Fransman René Descartes (1596-1650) was rond 1620, vanwege het liberale klimaat, naar Nederland gekomen. Onder invloed van het cartesianisme begint, vanaf de jaren veertig van de 17de eeuw, de confessionele maatschappelijke eenheid in Nederland en in Engeland, snel af te brokkelen. Het is het begin van een van de meest beslissende intellectuele en culturele aardverschuivingen in de westerse geschiedenis. Machtige potentaten en de paus bleken niet in staat om die onrust de kop in te drukken. De cartesianen kwamen op voor het belang van de rede, die tot dan toe geheel ondergeschikt was gemaakt aan de theologie. Hierover ontstaan langdurige en felle discussies binnen de Nederlandse gereformeerde kerk, die ook onder het gewone volk hun weerklank vinden.

Begin 1656 ontvangt de synode van Zuid-Holland een klacht over cartesiaanse 'beledigingen' aan het adres van de bijbel. Een groot aantal dominees vond dat het 'beledigen' van de heilige schrift nu algemene praktijk geworden was en in het bijzonder in Leiden. Een kopie van deze klacht werd naar de Staten van Holland gestuurd en gepresenteerd aan de curatoren van de universiteit, die uiteindelijk de senaat benaderde.

De Staten van Holland vaardigen in 1656 onder druk van de orthodoxe gereformeerden, op advies van Johan de Witt, een gematigde resolutie uit waarin de Leidse filosofie- en theologieprofessoren de order kregen niet de 'filosofische vrijheid' te misbruiken en ook niet theologie met filosofie te mengen. De resolutie verbood weliswaar enkele cartesiaanse stellingen, maar niet zijn hele leer.

Toch was Nederland ondertussen de voornaamste bron geworden van een invloedrijke intellectuele stroming van een aangepast cartesianisme, dat zich in hoog tempo verspreidde over Duitsland en de rest van noordelijk Europa.
Door het toenemende verzet van de gereformeerde orthodoxie tegen zijn denkbeelden, ziet Descartes zich gedwongen te vluchten naar het koninklijk hof in Zweden, waar hij een paar jaar later in 1650 sterft. Zijn lichaam wordt overgebracht naar Parijs en bij de begrafenis mogen geen toespraken worden gehouden. Door Descartes' werk was voor het eerst een discussie over de verhouding tussen geloof en rationaliteit ontstaan. Bij Descartes zijn ze nog evenwaardig, Spinoza kiest met veel overtuiging voor het primaat van de rede. Spinoza zag Descartes als een waardevolle en noodzakelijke wegbereider, want hij besefte dat zijn eigen filosofie veel te radicaal was voor die tijd.

De Nederlandse universiteiten staan hoog aangeschreven en veel studenten uit Duitsland, Scandinavië, Hongarije, Schotland, Engeland en Frankrijk komen studeren in Leiden, Franeker en Groningen. Waarschijnlijk volgt ook Spinoza van juli 1656 tot zomer 1658 colleges aan de universiteit van Leiden, waar hij zijn vrienden Lodewijk Meyer en Adriaen Koerbagh ontmoet kan hebben.

Algemeen wordt aangenomen dat Spinoza na de joodse ban in de 'Latijnse school' bij Franciscus van den Enden (1602-1674) is gaan wonen. Van den Enden was een zeer libertijnse, uit Antwerpen afkomstige ex-Jezuïet, die een seculiere Latijnse school had aan de Singel in Amsterdam, waar de kinderen van regenten zich, soms intern wonend, voorbereidden op de universiteit. Hij leerde Spinoza Latijn, bracht hem in contact met de klassieken en andere libertijnen, maar was bovenal zijn begeesterde inspirator. Franciscus van den Enden was een veelzijdige man, hij schreef en regisseerde o.a. Latijnse toneelstukken waarin hij zijn leerlingen liet spelen en die opgevoerd werden in de Stadsschouwburg. Mogelijk heeft Spinoza in een van die stukken meegespeeld. Er zijn berichten dat hij bij het verlaten van de schouwburg met een mes zou zijn aangevallen, waarbij hij alleen een gat in zijn jas opliep. Officiële bevestiging van de gebeurtenis is nooit gevonden, maar hiervan bestaat wel een 17de eeuwse prent.

Het enige contact met vrouwen waarover iets bekend is, moet hebben plaatsgevonden in het huis van Van den Enden. Diens jonge dochter was zeer intelligent en zij heeft Spinoza geholpen bij de Latijnse lessen. Later zou ze met een ander trouwen en katholiek worden. Het is mogelijk dat Spinoza hierover zeer teleurgesteld was en verder geen toenadering tot vrouwen zocht. Verder is over het vraagstuk van zijn seksuele geaardheid helaas niets bekend. We weten wel dat hij vond dat vrouwen altijd afhankelijk waren van mannen, zoals slaven van hun meester en wellicht was dat in die tijd een scherpe waarneming.

Ondertussen heeft Spinoza geleerd lenzen te slijpen, wat in de zeventiende eeuw een speerpunt-technologie was. Spinoza stond internationaal bekend om de hoge kwaliteit van zijn lenzen en hij werkte bij het verbeteren van microscopen en sterrenkijkers samen met de belangrijkste Nederlandse wetenschapper van die tijd, Christiaan Huygens. Het lenzenslijpen zal hem zijn hele leven een deel van zijn inkomsten verschaffen.

Spinoza vond zichzelf slim en wereldwijs. Anderen noemden hem een bescheiden, rustig en zachtmoedig persoon. Vanaf 1656, na de joodse ban, had hij geen interesse meer in geld en bezit, wel hechtte hij belang aan positie en reputatie. Hij wilde het 'hoogste goed' voor zichzelf en voor anderen en hen het pad wijzen naar de verlossing. Spinoza had, net als Descartes, de ambitie om een, noodzakelijkerwijs geheime filosofische 'sekte' te stichten die ervoor moest zorgen dat zijn filosofie uiteindelijk de wereld zou veranderen. Hij wilde echter niet dat die met zijn naam verbonden was en hij zou zijn hele leven heel voorzichtig blijven, 'Caute' was zijn devies.

Van den Enden was een zeer cruciale leermeester voor Spinoza, maar rond 1660 is hij voorbijgestreefd door zijn protégé. De meeste vrienden, waar Spinoza in deze tijd mee omgaat, zullen hem zijn hele leven trouw blijven: Jarich Jelles, Pieter Balling, Lodewijk Meyer, Johannes en Adriaen Koerbagh, Johannes Bouwmeester en Simon de Vries, die hem financieel ondersteunde. Samen vormden zij een filosofische ondergrondse, de Amsterdamse 'Spinoza kring'.

De periode 1656 tot 1661, in Spinoza's biografie, is vaag, waarschijnlijk door de zelfcensuur van de Spinozakring. Wel is er een Spaans verslag bewaard gebleven uit 1659, waarin een spion, frater Solano y Robles, voor de Spaanse Inquisitie in Madrid getuigenis aflegt van gesprekken die hij kort daarvoor in een Amsterdamse herberg had gevoerd met Spinoza en De Prado (een andere verbannen joodse dissident). Robles noemt Spinoza de beste filosoof van de twee, maar hij had het judaïsme geheel afgewezen en het atheïsme aangehangen, hij verkondigde dat de ziel sterft met het lichaam, dat God een filosofisch concept is, hij geloofde niet in de voorzienigheid en volgens hem was godsdienst dus onnodig.
Ook weten we dat Spinoza in 1658 al op 26-jarige leeftijd zijn eerste overgebleven werk schrijft, de Verhandeling over de verbetering van het verstand, die veel later in de Opera Posthuma (OP) in 1678 wordt gepubliceerd. Rond 1660-1661 schrijft hij de Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand (KV), die pas halverwege de 19de eeuw teruggevonden wordt, maar waarin al veel ideeën voorkomen, die hij later uitwerkt.

In 1660 of 1661 vertrekt Spinoza uit het ongetwijfeld hectische Amsterdam naar het kleine, landelijke Rijnsburg bij Leiden. Waarschijnlijk verhuist hij om zich in alle rust aan zijn levenswerk te kunnen wijden. Meegespeeld kan hebben dat hij moeilijkheden wilde voorkomen met predikanten, cartesianen en rabbijnen die steeds meer druk op de Amsterdamse stadsbestuurders gingen uitoefenen, om de verderfelijke 'nieuwe filosofie', die een gevaar was voor de jeugd en voor het ware geloof, aan te pakken. Rijnsburg viel bovendien onder de Staten van Holland en werd direct door de tolerante Raadspensionaris Johan de Witt gecontroleerd.

Ondertussen circuleert het manuscript (een handgeschreven versie) van de KV bij de leden van de Spinozakring in Amsterdam. Aangenomen mag worden dat Spinoza, nog voordat hij ook maar een letter gepubliceerd had, al bekend was in Europese wetenschappelijke kringen. Al in 1661 krijgt hij namelijk bezoek van de Duitse wetenschapper Henry Oldenburg, die secretaris van de prestigieuze Royal Society in Engeland zal worden en waarmee hij langdurig zal corresponderen. Via Oldenburg discussieert Spinoza o.a. met de empiricus en mede-oprichter van The Royal Society, Boyle. Ze worden het niet eens, Boyle gelooft wel in goddelijke interventie en Spinoza bekritiseert hem, omdat al zijn empirisch onderzoek geen zin heeft, zolang er geen algemene theorie aan ten grondslag ligt.

De eerste keer dat melding gemaakt wordt van Spinoza's hoofdwerk, de Ethica, is in een brief van zijn vriend Simon de Vries van 24 februari 1663. De Vries doet verslag van de bijeenkomsten van de geheime Amsterdamse Spinozakring. Stukken uit de Ethica worden voorgelezen en daarover wordt gediscussieerd. Vervolgens stelt men vragen op, die aan Spinoza ter verduidelijking worden toegestuurd om onder zijn leiding in staat te zijn 'om tegen de bijgelovige godsdienstigen de waarheid te verdedigen'.

In het voorjaar van 1663 verhuist Spinoza naar Voorburg en in dat jaar verschijnt het enige boek dat hij onder zijn eigen naam zal uitgeven, zijn standaardwerk over de filosofie van Descartes, de Principia, waarin hij die uitlegt en aanvult, maar zijn eigen ideeën nog achterhoudt. Het gevolg van de verschijning van dit boek is dat Spinoza op slag bekend is in alle religieuze en wetenschappelijke kringen van Europa. In datzelfde jaar doet de paus in Rome de cartesiaanse filosofie in de ban.

In 1666 verschijnt in Amsterdam anoniem een revolutionair boek, de Philosophia. Het boek veroorzaakt grote opschudding en wordt het onderwerp van verhitte discussies in religieus en intellectueel Europa. Het boek wordt lange tijd gezien als de grootste aanval op de bijbel en wordt overal verboden. In die tijd wist men niet dat de schrijver Lodewijk Meyer was, een prominent lid van de kring rond Van den Enden en Spinoza. Later wordt Meyer directeur van de Stadsschouwburg in Amsterdam, in een tijd dat de invloedrijke fundamentalistische gereformeerde lobby muziek, dans, de viering van Sint Nicolaas en zeker theaters, als broedplaatsen van ongeloof wil verbieden.

Spinoza is zich er terdege bewust van dat zijn ideeën zo controversieel zijn dat de publicatie ervan uiterst vervelende gevolgen kan hebben. Hij is voorzichtig en geduldig. Heel anders ligt dat bij zijn goede vriend, de arts, jurist en filosoof, Adriaen Koerbagh (1632-1669). Adriaen publiceert anoniem een uiterst revolutionair boek in het Nederlands, waarin hij een aanklacht doet tegen religieuze, wetenschappelijke en politieke elites die het volk dom willen houden om hun machtige posities veilig te stellen. Hij pleit dan ook op zeer moderne wijze voor 'de verlichting van het volk'. Adriaen wordt gearresteerd en veroordeeld tot 10 jaar rasphuis, waar hij na enkele maanden dwangarbeid in 1669 sterft. De gevangenschap en de dood van zijn goede vriend Adriaen moeten Spinoza uiteraard diep geraakt hebben, maar niets daarover is terug te vinden in de Opera Posthuma.

Ergens tussen 1669 en 1671 verhuist Spinoza naar Den Haag. In 1670 besluit hij, waarschijnlijk in reactie op de dood van Koerbagh en ter ondersteuning van republikeinse raadspensionaris Johan De Witt, het Theologisch Politiek Traktaat (TPT) uit te geven, in het Latijn, anoniem met een gefingeerd uitgeversadres. Het is het enige boek, met zijn eigen opvattingen, dat hij tijdens zijn leven zal publiceren. Dit revolutionaire boek is een vlijmscherpe analyse van de bijbel, die hij met behulp van een grote hoeveelheid voorbeelden en onontkoombare argumenten reduceert tot een propagandistisch boek, geschreven door doodgewone feilbare mensen. De bijbelse wonderen zijn of bijzondere natuurverschijnselen, het gevolg van foute vertalingen, of ontsproten aan fantasierijke verwarde geesten. Het TPT is daarnaast een uiterst krachtige rechtvaardiging van de macht van de staat over de kerk en tegen de monarchie. Het boek was zeer schokkend voor het christendom en veroorzaakte een ware stortvloed van kritiek in heel Europa. In hetzelfde jaar al verschijnt de eerste furieuze weerlegging van het TPT, in Leipzig. Kort na publicatie verwerpt de gereformeerde kerkenraad van Amsterdam het TPT als een 'werk gemaakt in de hel door een verbannen jood, samen met de duivel en uitgebracht met de kennis van Johan de Witt'. In Leiden worden invallen gedaan bij de verkopers om het boek in beslag te nemen.

Een vroege biograaf beweert dat Spinoza 'wiskundelessen' gaf aan Raadspensionaris Johan de Witt en dat die Spinoza consulteerde over staatszaken, maar er zijn nooit schriftelijke bewijzen gevonden over contact tussen de twee. Misschien omdat ze, uit voorzorg, nooit per brief maar via bodes communiceerden. Het is onduidelijk hoe De Witt privé dacht over het TPT. Om geloofwaardig te blijven tegenover de gezaghebbende orthodoxe gereformeerden moest De Witt koste wat het kost vermijden om publiekelijk geassocieerd te worden met Spinoza en zijn radicale 'atheïstische' kliek. Tussen 1670 en 1672 voert De Witt herhaaldelijk overleg met de gereformeerde synodes over o.a. het TPT. Hij verklaart in de Staten van Holland dat het TPT en andere werken weliswaar onwettig zijn, maar dat 'een publieke veroordeling juist de boeken een grotere bekendheid zou geven'. Officieel wordt het TPT in die tijd nooit anders aangemerkt dan als een onwettige publicatie en Spinoza en zijn volgelingen als een clandestiene 'sekte'.
Ondertussen is heel religieus en wetenschappelijk Europa in rep en roer over het TPT. Het boek wordt overal verboden, met averechts effect, want iedere zichzelf serieus nemende theoloog, wetenschapper of politicus wil weten wat er in staat en overal verschijnen furieuze afwijzingen. In Duitsland kan Leibniz het boek gewoon bij zijn vaste boekhandelaar in Frankfurt kopen en niet lang daarna verschijnt zelfs een tweede editie.

In 1672 valt Lodewijk XIV de Verenigde Provinciën binnen. Maar de dijken worden doorgestoken en de Franse opmars gestopt. Ondertussen is het tolerante, republikeinse regime van Johan de Witt door de fanatieke campagnes van orthodoxe gereformeerden en orangisten in diskrediet gebracht. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor de Franse successen omdat hij het landleger verwaarloosd zou hebben. De Witt verliest volledig grip op de situatie. Dan vindt een aanslag op hem plaats waarbij hij zwaar gewond raakt. Hij treedt terug als Raadspensionaris, maar bij het Binnenhof in Den Haag wordt hij samen met zijn broer door een fanatieke meute van gereformeerde orangisten op barbaarse wijze gelyncht. De lijken van de De Witts worden in stukken gesneden, in delen verkocht, boven vuurtjes geroosterd en opgegeten. Het is het einde van een hardwerkende politicus, die weliswaar grote fouten maakte en behoorde tot een klasse van arrogante regenten, maar die 20 jaar lang bijgedragen had aan religieuze tolerantie en welvaart in een vredelievende republiek met een meerhoofdig bestuur. Vermoed wordt dat de moord op de gebroeders De Witt een complot was, met medeweten van Willem III, die op de hoogte was van de lynchpartij, niet ingreep en de mededaders later op hoge posities plaatste.
Spinoza is getuige van de kannibalistische moordpartij en, volgens Leibniz, die later hierover met hem sprak, was Spinoza zo geschokt dat hij meteen erna een plakkaat schreef met de woorden 'Ultimi Barbarorum' ('Jullie zijn de ergste barbaren') en naar de plek van het onheil wilde gaan om het plakkaat op te hangen. Zijn huisbaas kon hem met grote moeite tegenhouden met het argument dat de meute hetzelfde met Spinoza, de huisbaas en zijn familie zou kunnen doen.
Na de dood van de gebroeders De Witt wordt een feitelijke coup gepleegd waarbij de jonge Willem III via een dubieuze procedure stadhouder wordt en zichzelf benoemt tot bevelhebber van het leger en de marine. Daarmee neemt de invloed van orthodoxe gereformeerden sterk toe, tolerante republikeinen ontvluchten het land en er vinden op grote schaal ideologische zuiveringen plaats bij religieuze, politieke en wetenschappelijke instellingen.
Gezien de dramatische ontwikkelingen begint Spinoza zich zorgen te maken en als hij hoort dat er een Nederlandse vertaling van het TPT in de maak is, voorkomt hij de uitgave daarvan.

In 1673 krijgt hij een aanbieding van de keurvorst Karl Ludwig van Rijnpalts voor een leerstoel aan de universiteit van Heidelberg. Spinoza bedankt echter voor de eer, omdat hij bang is voor beperkingen.
Spinoza is, naar bekend is, nooit buiten Nederland geweest en ook hier reisde hij bijna alleen, met de trekschuit, tussen zijn woonplaatsen en Amsterdam. Eén bijzondere reis is bekend geworden, naar het door de Fransen bezette Utrecht in 1673. Hij zou een afspraak gehad hebben met de (libertijnse) Franse militaire leider, maar het is onbekend met welk doel en of hij de reis in opdracht, bijvoorbeeld als diplomaat, maakte. Spinoza verklaarde later, als verweer tegen suggesties van spionage, dat de 'hoge heren' op de hoogte waren van zijn reis.
Franse edelen, religieuze en intellectuele dissidenten die vervolging door Lodewijk XIV willen ontwijken en soortgelijke Engelsen en Schotten, zoeken hun toevlucht in Nederland. Zo komen verbindingen tot stand tussen politieke onvrede met autoritaire systemen en de uiterst revolutionaire kracht van de kring rond Spinoza in Nederland.

Franciscus van den Enden komt in Amsterdam steeds meer onder druk te staan en vertrekt in 1671 naar Parijs. Met de Franse edelen die hij uit Amsterdam kende, zet hij een heuse samenzwering op tegen Lodewijk XIV. Het complot wordt verraden. De complotteurs worden gearresteerd en voor de Bastille terechtgesteld.
Ook de gewelddadige dood van Van den Enden, zijn vriend en leermeester, moet voor Spinoza een enorme klap zijn geweest, die hem zonodig nog voorzichtiger maakte.
Het is heel vreemd dat in de Opera Posthuma niets is terug te vinden, dat naar Koerbagh, De Witt of Van den Enden verwijst. Het kan niet anders of Spinoza heeft, of de Amsterdamse redacteurs van de OP hebben later, alle verwijzingen naar hen vernietigd, om elke associatie met 'veroordeelde misdadigers' te voorkomen.

In 1674 wordt het TPT officieel in Nederland verboden. Niettemin is het einde van de Derde Engelse Oorlog, in datzelfde jaar, de aanleiding voor Spinoza en zijn uitgever Rieuwertz om Engeland te veroveren met het Latijnse TPT. Hun nieuwe strategie is de boeken te voorzien van een volledig ander titelblad. Engeland is gechoqueerd en het TPT wordt, evenals in Nederland, formeel verboden. Vele vooraanstaande wetenschappers voelen zich verplicht om verontwaardigde afwijzingen te schrijven, waaronder Boyle, Jenkes, bisschop Stellingfleets, Henry More, Cudworth en zelfs Spinoza's correspondent Oldenburg.
Al snel wordt bekend dat Spinoza de schrijver is en tegen het midden van de jaren zeventig staat Spinoza feitelijk aan het hoofd van een succesvolle ondergrondse, radicale, filosofische beweging van Europese schaal. Zijn boeken worden overal verboden, maar toch vindt geen enkele filosoof in die tijd zoveel weerklank in Europa, zowel positief als negatief. Iedere zichzelf respecterende wetenschapper wil zo snel mogelijk alles van Spinoza lezen. In Frankrijk komt het schokeffect later, pas na de vrede met de Nederlanden in 1678.

Albert Burgh, een vroegere vriend en aanhanger van Spinoza, maar inmiddels tot ieders verrassing in Italië tot het katholicisme bekeerd, schrijft in 1675 vanuit Florence, naar aanleiding van het TPT, een felle hekelbrief aan Spinoza. Deze reageert laconiek en schrijft o.a. dat hij toegeeft dat de katholieke kerk qua pracht en praal, macht en gewin buitengewoon goed georganiseerd is. Hij zou bijna denken dat het de beste kerk is om mensen te bedriegen en hun geesten te dwingen, als ze niet royaal voorbijgestreefd werd door de 'Mohammedaanse kerk', niet alleen wat betreft omvang en greep op de gelovigen, maar ook door haar eenheid. De briefwisseling zal in 1677 in de Opera Posthuma gepubliceerd worden en is dan aanleiding tot grote verontwaardiging bij katholieken in Utrecht, Cambridge, Hannover, Venetië, Florence, Rome en Napels.

Eind juli 1675 reist Spinoza naar Amsterdam om zijn 'magnum opus', de Ethica, uit te geven. Twee weken later in augustus is de opening van de grote Portugese synagoge aan het huidige Meester Visserplein. Het is heel goed mogelijk dat Spinoza en enkele van zijn vrienden, uit nieuwsgierigheid, van een afstand toegekeken hebben. Ondertussen is het de gereformeerde kerkenraad ter ore gekomen dat er een boek gedrukt wordt waarin het bestaan van God ontkend wordt. Ze klagen hierover bij de burgemeesters en als Spinoza dit hoort besluit hij de uitgave van de Ethica uit te stellen om te zien hoe de situatie zich verder ontwikkelt.

In 1675 wordt in Italië de reactie op het TPT van het Vaticaan gepubliceerd, waarin Spinoza wordt aangeduid als 'iemand' die gelooft dat iedereen vrij is om te denken wat hij wil in geloofszaken. Om dit kwaad te bestrijden worden onverwachte allianties gesloten. De katholieke Inquisitie en de gereformeerde kerkenraad in Den Haag werken samen om informatie over het gedrag en het werk van Spinoza te verzamelen.

Tussen 1672-1676 woont de Duitse filosoof Leibniz (1646-1716) in Parijs, waar hij Franciscus van den Enden en Huygens ontmoet, die hem op de hoogte brengen van Spinoza en zijn kring, 'een ondergrondse, clandestiene, filosofische beweging die in de Verenigde Provinciën wortel heeft geschoten'. In 1676 reist hij naar Nederland en via leden van de Spinozakring regelt hij een afspraak met Spinoza in zijn huis in Den Haag. Ze voeren lange gesprekken en later schrijft Leibniz dat hij zich in deze tijd inderdaad aangetrokken begon te voelen tot de spinozistische opvattingen. Naar Spinoza toe is Leibniz vol lof over het TPT, maar tegen anderen veroordeelt hij het boek heftig, zonder bekend te maken dat hij contact heeft met de boosdoener zelf.
Vóór 1680 is Leibniz een onafhankelijke erudiet, maar daarna verandert hij van strategie en ontwikkelt hij zijn eigen stelsel. Hij gaat nu strijdbaar weerstand bieden tegen rivaliserende filosofieën zoals die van Spinoza. Hij zoekt naar een effectief verbond tussen kerk en filosofie door, in tegenstelling tot Spinoza's opvattingen, bewijzen te leveren voor het bestaan van een god die alles direct bestuurt en hij probeert het concept van hel en eeuwige verdoemenis in stand te houden. Leibniz wordt gezien als de architect van de hoofdstroom van de 'Gematigde Verlichting'. In de praktijk blijken vertegenwoordigers van de Gematigde Verlichting echter, zoals eerder de cartesianen, vaak even grote tegenstanders van Spinoza's Verlichting te zijn als de orthodoxe christenen. Ze moeten zich van zijn radicale filosofie distantiëren, om acceptabel te blijven en in aanmerking te komen en te blijven voor eervolle en lucratieve posities.

Spinoza heeft al jaren een longaandoening, waarschijnlijk mede door het stof van het lenzen slijpen, en op 21 februari 1677 sterft hij toch nog vrij plotseling aan tuberculose in zijn huis in Den Haag, in aanwezigheid van één van zijn Amsterdamse vrienden, die arts is. Zijn huisbaas, de kunstenaar Hendrik van der Spyk, stuurt op instructie van Spinoza, in het geheim zijn manuscripten in een kist per trekschuit meteen naar Amsterdam. Daar verbergen zijn vrienden en medestanders de teksten en ze maken plannen voor het beheer en het tot ontwikkeling brengen van zijn filosofische erfenis. Op 25 februari 1677 wordt Spinoza, ondanks zijn reputatie, met een grote plechtigheid begraven in de Nieuwe Kerk in Den Haag, wat er op moet wijzen dat hij daar invloedrijke vrienden had.

De 'redacteuren' beginnen direct met het kopiëren van manuscripten. Het team van redacteuren bestaat waarschijnlijk uit Rieuwertz, Jelles, Meyer, Glazemaker, Bouwmeester, Schuller en Van Gent. Bij de redactie worden teksten en brieven achtergehouden of vernietigd die verband houden met veroordeelde spinozisten of met nog levende prominenten of die anderszins schadelijk zouden kunnen zijn voor de nagedachtenis van Spinoza.

In Italië brengen de hoog in de katholieke hiërarchie gestegen, vroegere aanhangers van Spinoza, Steno en Burgh, de Italiaanse Inquisitie op de hoogte van een groot dreigend gevaar voor de kerk, de publicatie van de Opera Posthuma. Na een bijeenkomst met de neef van de Paus, kardinaal Barberini schrijft deze een brief aan de Nederlandse katholieke kerk. Alles over Spinoza moet uitgezocht worden en alle manuscripten en publicaties moeten naar het Vaticaan gestuurd worden. Na ontvangst van de brief op 18 december 1677 wordt in Nederland een gemengd onderzoeksteam samengesteld met vertegenwoordigers van de katholieke, gereformeerde en joodse religie. Weer werken gereformeerde predikanten en joodse rabbijnen dus samen met hun aartsvijand, de paapse Inquisitie - het doel heiligde blijkbaar alle middelen. Al op 25 december 1677 stuurt de Nederlandse katholieke kerk een antwoord aan het Vaticaan, de ondervraagde vrienden van Spinoza hadden alles ontkend en niet bewezen kon worden dat er nog manuscripten in de nalatenschap van Spinoza zaten. Het onderzoek leverde dus niets op, de vrienden hadden hun mond gehouden.

Zo kan uitgever Rieuwertz in Amsterdam in het voorjaar van 1678 de distributie van de Opera Posthuma starten, in het Latijn en in het Nederlands. Het grootste en belangrijkste onderdeel van de OP is de Ethica, waarin Spinoza zijn filosofie m.b.t. God, de mens, de emoties en het belang van de rede verder uitwerkt. God is de eeuwige oneindigheid, die voor ons alleen te kennen is door de kennis van de natuur. Elk levend wezen streeft zelfhandhaving na en 'goed' en 'kwaad' zijn in feite gelijk aan 'voordelig' en 'nadelig' voor dit streven tot zelfhandhaving. Om het geluk te bereiken moeten we onszelf als onderdeel van het geheel van de natuur zien. Onderdeel daarvan is dat we onderworpen zijn aan een oneindig gevarieerd driftleven. Vrijheid en geluk zijn slechts te bereiken, niet door deze driften, harstochten of emoties te ontkennen en ze als irrationeel te verwerpen, maar door te proberen ze verstandelijk te begrijpen en door vervolgens rationeel te handelen. Met de ontwikkeling van het verstand groeit de liefde voor de mens, de natuur en voor God (= de natuur). De kennis van de hoogste soort toont ons intuïtief de dingen in detail, dus zoals ze werkelijk zijn, in hun verbondenheid met de eeuwige oneindigheid. De menselijke geest gaat niet geheel ten gronde met het lichaam, maar er blijft iets over, niet in een 'hiernamaals', maar in de eeuwigheid van deze wereld. De troost die dit besef van eeuwigheid kan brengen, is van een geheel andere orde dan de hoop op beloning in een leven na de dood. De mens moet niet wandaden vermijden uit angst voor straf of uit hoop op beloning. Het geluk ligt niet de beloning voor de deugd, maar in de deugd zelf. Vrije mensen weten dat hun eigenbelang het meest gediend is met een deugdzaam leven en met een harmonieuze omgang met anderen.

Omdat deze analyse het hele bestaande religieuze, politieke bouwwerk onderuit haalde is het niet verwonderlijk dat er na het uitkomen van de OP een golf van verontwaardiging door Nederland en Europa ging. Zijn protestantse en katholieke tegenstanders hadden nu het bewijs in handen, Spinoza is de bron van alle kwaad. In Nederland worden passages voorgelezen in kerkenraden en voor burgemeesters, het boek wordt overal in Europa fel veroordeeld, verboden en in beslag genomen.

Spinoza's filosofie zou desondanks een doorslaggevende bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de Verlichting en een grote invloed uitoefenen op denkers als Kant, Hegel, Nietsche, Marx, Freud en Einstein. Spinoza is een van de zeer weinige 17de of 18de eeuwse filosofen die nog steeds gelezen worden, en die steeds opnieuw wetenschappers en kunstenaars beïnvloeden. Hij heeft ook voor de moderne mens uiterst relevante levenslessen te bieden, die kunnen bijdragen aan individueel geluk en een aangename samenleving.


'Die mens die zich niet door zijn hartstochten laat leiden, maar door de rede, is een vrij mens.'

Spinoza

Haije Bouwman, 12 januari 2006
(Gebaseerd op Radicale verlichting van Jonathan Israel)

 

Nieuwbrief aanmelden

Blijf op de hoogte van onze activiteiten en ander Spinoza-nieuws.

Voeg deze website toe aan Symbaloo: