Ethica (1677)
Dit boek bestaat uit vijf delen, die achtereenvolgens gaan over God, de menselijke geest, de emoties, de onderworpenheid van de mens aan de emoties, en de macht van het verstand oftewel de menselijke vrijheid.
Opvallend is de snelle inperking van het onderwerp: in duizelingwekkende vaart gaat het betoog van de allerhoogste abstracties - God - af naar het niveau van de mens.
Het is Spinoza's diepste overtuiging dat de mens geen zelfstandig koninkrijkje binnen het grote rijk van de natuur is, maar een integraal onderdeel van die natuur, waarin alles causaal met alles verbonden is. Om dat te verwoorden zou een reconstructie van het totale universum, een exacte kopie van de hele natuur beschreven moeten worden. Dat is niet alleen onmogelijk, maar daarin is Spinoza ook niet geïnteresseerd. Het gaat hem - en dat drukt hij in de titel Ethica al uit - slechts om het menselijk geluk. Spinoza ziet de mens als een wezen dat altijd zal proberen zichzelf te handhaven. De mens kan dit het best doen met zijn verstand en hij heeft meer kans van slagen naarmate zijn kennis toeneemt.
Zijn keuze voor de optiek van de mens betekent heel nadrukkelijk niet dat Spinoza de mens in het centrum van de wereld plaatst. Vanuit zijn erkenning dat de mens aan de algemene wetmatigheden van de natuur onderworpen is, zet hij zich juist fel af tegen elk 'antropocentrisme', de mens als hoofdonderdeel van de wereld. Hij verzet zich tegen de visie van de wereld als geschapen voor de mens. De Ethica is een vernietigende kritiek op de opvatting dat de natuur in dienst staat van de mens. Ook verzet hij zich tegen elk antropomorfisme - de neiging om de natuur in menselijke termen te verklaren. Het duidelijkste en meest funeste voorbeeld van zo'n antropomorfe verklaringswijze is voor hem de bijgelovige opvatting van God als een persoon, die de wereld zou hebben geschapen ter wille van de mens.
Spinoza heeft de titel Ethica heel bewust gekozen. Het gaat hem om een moraal, een gedragsleer, om een weg naar het menselijk geluk. Hij weet dat die niet makkelijk te vinden is en dat het moeilijk is die weg vol te houden. Als de weg naar het geluk eenvoudig en gemakkelijk te vinden zou zijn, was die voor mensen niet zolang verborgen gebleven, want 'al wat voortreffelijk is, is even moeilijk als zeldzaam'.
Spinoza beseft dat juist omdat de mens betrekkelijk zwak en machteloos is, en speelbal van de natuur - zowel buiten als in zichzelf - en dat de marges voor het menselijk handelen maar heel klein zijn. Aan de andere kant is het de kennis van de natuurwetmatigheden die ons in staat stelt om aan ons geluk te werken. Dat is alleen mogelijk als we de natuur als geheel en eeuwig zien.
De moeilijkheid is daarin gelegen, dat de mensen weliswaar in aanleg over het vermogen beschikken om hun geluk te realiseren, namelijk met hun verstand, maar dat de werking daarvan niet optimaal is. Ons verstand maakt vele fouten. Dat komt omdat we door de natuur niet alleen zijn uitgerust met denken, maar ook met een rijk geschakeerd driftleven.
Spinoza gaat uitvoerig in op de relatie tussen lichaam en geest. Het menselijk lichaam kan op zeer veel verschillende manieren beïnvloed worden en omdat lichaam en geest met elkaar verbonden zijn, zal dit ook in de geest beïnvloeden, waardoor de driften, hartstochten, of emoties worden veroorzaakt. Hij wijst er herhaaldelijk op dat er een oneindige hoeveelheid combinaties van driften mogelijk is.
Spinoza ontwikkelt vervolgens een moraal, een ethiek, over de vraag hoe moeten we ons gedragen om gelukkig te worden. Geluk is slechts te bereiken door te handelen naar het voorschrift van de rede, dat wil zeggen, op basis van adequate ideeën. Door onze emoties te begrijpen kunnen we ons aan de overheersing door die emoties ontworstelen. Als we de relatie en de interactie tussen mens en natuur begrijpen, dan zullen we die leren waarderen en dat zal gepaard gaan met de liefde voor God, of de natuur (de mens, de wereld, het universum). Kennis wordt zelf een emotie, namelijk de vreugde van het kennen.
Uitgebreid gaat Spinoza in op de aard en oorsprong van de emoties. Pas als daarover helderheid is, kan de uitweg worden gewezen. Menselijke vrijheid is mogelijk door rationeel te leven, niet door het ontkennen en afwijzen van de emoties, maar door het onderkennen van hun noodzakelijkheid, die voortkomt uit de werking van de natuur. Wie een emotie ondergaat en de kracht ervan ervaart, doorziet op dat moment niet wat de oorzaak van de emotie is en of die oorzaak alleen maar verbeelding is. Als de mens het imaginaire karakter van emoties doorziet, is hij niet langer aan die emotie onderhevig. De mens die nadenkt, kan algemene wetmatigheden begrijpen en de overheersende rol van de uit verbeelding voortkomende emoties terugdringen. Dit zal altijd een streven blijven, een ideaal, geen situatie die ooit volledig gerealiseerd kan worden, omdat fouten maken nu eenmaal bij de aard van de mens hoort.
Vervolgens spitst Spinoza zijn betoog verder toe op de praktische ethische consequenties van zijn leer. De mens streeft, zoals alle levende wezens, naar zelfhandhaving. 'Goed' en 'kwaad' bestaan alleen als voordelig dan wel nadelig voor dat streven: 'Ieder wordt op grond van de wetten van zijn eigen aard aangetrokken dan wel afgestoten door dat wat volgens zijn oordeel goed dan wel kwaad is. Vrije mensen leven deugdzaam, omdat ze inzien dat hun eigen belang het meest gediend is met een harmonieuze omgang met anderen.'
Spinoza vat zijn levenslessen samen in een fraaie puntsgewijze opsomming: 'Er is niets nuttiger voor de mens om zijn bestaan te handhaven en van een redelijk leven te genieten, dan de rede. We moeten ons ervan bewust zijn, dat we deel blijven van de natuur als geheel en dat we aan de regels daarvan onderworpen zijn. Als we dat goed begrijpen, zullen we ook in onze beperktheid kunnen berusten, omdat we de noodzakelijkheid ervan inzien.'
In het laatste deel van de Ethica komt Spinoza terug op de liefde en de hoogste soort van kennis, het intuïtieve inzicht. Daaruit komt de hoogst mogelijke gemoedsrust voort, omdat we dan de dingen zien onder het gezichtspunt van de oneindige eeuwigheid. Deze kennis van de hoogste soort toont ons de dingen zoals ze werkelijk zijn. Door het intuïtieve inzicht doorzien we de verbondenheid van elk detail in de wereld en het universum met een eeuwige oneindigheid. Dit gaat gepaard met een gevoel van liefde voor de Natuur en dus voor de mens. En daarin is het menselijk geluk te vinden.
Daarmee is die kennis ook 'eeuwig' en zo komt Spinoza tot zijn leer van de eeuwigheid van het verstand. Het menselijke verstand gaat niet helemaal ten gronde met het lichaam, maar er blijft iets van over dat eeuwig is. Niet zoals het christendom dat het heeft over 'het hiernamaals'. Voor Spinoza blijft het menselijke verstand, met zijn herinneringen en dus zijn identiteit na de dood van het lichaam niet bestaan. Voor hem is een 'hiernamaals', waarin ons bestaan onlichamelijk verder gaat, met een individueel bewustzijn, een absurd idee. De eeuwigheid van het menselijke verstand is bij hem geen hoop op beloning in een leven na de dood, maar het 'goede' te doen, door goed te leven.
Spinoza: Ethica
Inleiding van hoofdstuk 3
Over de oorsprong en de aard van emoties
(vrije hertaling Ethica, hoofdstuk 3)
Inleiding:
De meeste schrijvers die het over het leven van de mens en over de emoties hebben gehad, lijken vooral bezig te zijn geweest met dingen die buiten de Natuur staan en niet met natuurlijke dingen, die gewoon de wetten van de Natuur volgen.
Bovendien lijkt het alsof ze de mens in de Natuur zien als zelfstandige staat binnen een andere staat. Want zij nemen aan dat de mens de orde van de Natuur verstoort en niet volgt, dat hij de volledige macht heeft over zijn gedrag en dat hij helemaal door zichzelf wordt bepaald.
Verder denken ze dat de oorzaak van de menselijke slapheid en het gebrek aan moed ligt in ik weet niet wat voor tekort in de aard van de mens. Ze jammeren hierover, bespotten het en minachten het of, wat het meest voorkomt, ze verdoemen het, in plaats van dat ze het zien als het gevolg van de gewone macht van de Natuur.
Zij die dit het scherpzinnigste doen en die met de mooiste woorden de machteloosheid van het menselijke Verstand bekritiseren, worden gezien als een soort heiligen.
Er zijn ook wel heel voortreffelijke mannen geweest, die ons met hun ijverige werk goed geholpen hebben en die veel uitstekende dingen geschreven hebben over wat de juiste manier van leven is en die de stervelingen veel wijze raad hebben gegeven. Voorzover ik weet heeft echter nog niemand onderzocht en vastgesteld wat de aard en de macht van de emoties is en in hoeverre ons Verstand die emoties zou kunnen temperen.
Ik weet wel dat de beroemde filosoof Descartes geprobeerd heeft de oorzaak van menselijke emoties te verklaren en ook de weg te wijzen naar hoe het Verstand een volledige macht over die emoties zou kunnen krijgen. Hij dacht echter dat het Verstand de volledige macht over ons gedrag heeft. Het enige dat hij volgens mij heeft bewezen is dat hij een hele intelligente en vindingrijke man was.
Maar om terug te keren bij de mensen die de emoties en het gedrag van mensen liever verachten en bespotten dan ze te begrijpen. Zij zullen het zeker heel vreemd vinden dat ik de tekorten en de onnozelheid van mensen die, volgens hen, idioot, absurd en afschuwelijk zijn, met een meetkundige methode behandel en dat ik die dingen wil verklaren met sluitende redeneringen.
Dit is mijn reden hiervoor: er gebeurt in de Natuur niets dat het gevolg is van een gebrek in de Natuur. De Natuur en haar macht is altijd en overal hetzelfde. Dat zijn de wetten en de regels van de Natuur, die alles bepalen. Ook al gaat de Natuur van de ene vorm over in de andere, altijd en overal is ze hetzelfde. Daarom ook moet de aard van alle dingen uit één en hetzelfde beginsel worden verklaard, namelijk uit die algemeen geldige wetten en regels van de Natuur.
Emoties als haat, kwaadheid, jaloezie, enz. moeten dus, net als andere dingen, voortkomen uit dezelfde noodzakelijkheid en macht van de Natuur. Ze moeten verklaard kunnen worden uit bepaalde oorzaken en bepaalde eigenschappen, die het evengoed waard zijn om te onderzoeken als de eigenschappen van alle andere dingen, waarvan het ook heel plezierig is om ze te analyseren.
Ik zal dus de aard en de werking van de emoties en de macht van het Verstand op dezelfde manier behandelen als ik hiervoor deed met God en het Verstand en ik zal naar het menselijke gedrag en de verlangens op dezelfde manier kijken als naar lijnen, vlakken of voorwerpen.
Vrije hertaling op basis van de Nederlandse vertaling in het 'Project Gutenberg'.
Haije Bouwman, 23 september 2006

