Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand (ca. 1660)
In de Korte verhandeling staat centraal de gedachte dat God oorzaak is van alles, maar dat de wereld, de natuur zichzelf voortbrengt zonder dat God verder nog ingrijpt. God is volkomen identiek met de natuur en de natuurwetten, alles is in feite één materie waarvan alle bestaande afzonderlijke wezens en dingen de concrete gedaanten of bestaansvormen zijn. Ook de mens is deel van de natuur, een bestaansvorm van die ene materie.
Het tweede deel van de Korte verhandeling behandelt de aard van de mens, opgevat als natuurwezen dat bepaald wordt door externe en interne oorzaken. Spinoza beschrijft uitvoerig hoe mensen onderhevig zijn aan allerlei emoties, waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen. Daardoor zijn ze machteloos en worden ze ongelukkig. Als mensen hun eigen emoties en die van anderen leren zien als onderdeel van de natuur, kunnen ze hun greep op het eigen bestaan verstevigen. Zo kunnen ze de hoogste vorm van kennis ontwikkelen, het intuïtieve inzicht. Daarin is het menselijk geluk te vinden, de 'welstand' die Spinoza in de titel noemt.

